De volgende definities zijn er voor het woord zweeg
- enkelvoud verleden tijd van zwijgen Ik zweeg. Jij zweeg. Hij, zij, het zweeg. ▸ ' begon ik, en toen zweeg ik omdat er een schaduw over ons heen viel.[1] ▸ ' Hij zweeg even en keek door het zijraampje de duisternis in.[2] ▸ ' Plots zweeg ze stil, en de triestheid in haar ogen verdween, liet slechts schemering achter, als een zwaar bewolkte hemel wanneer het ophield met regenen.[3] (bron: WikiWoordenboek)
Voeg een definitie toe.