zou

De volgende definities zijn er voor het woord zou

  • enkelvoud verleden tijd van zullen Ik zou.  Jij zou.  Hij, zij, het zou.  ▸ Dit zou toch niet mijn laatste nacht op aarde worden? Met zeven andere hikers zou ik de nacht in deze piepkleine ruimte van drie bij drie meter moeten doorbrengen.[1] (bron: WikiWoordenboek)

Voeg een definitie toe.