De volgende definities zijn er voor het woord vree
- enkelvoud verleden tijd van vrijen Ik vree. Jij vree. Hij, zij, het vree. ▸ Zijn antwoord was, dat hij vree met wie hij lustte, en dat de pastoors daar geen zaken mee hadden, en of dit kind wel van hem was?[1] (bron: WikiWoordenboek)
Voeg een definitie toe.