De volgende definities zijn er voor het woord opensloeg
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van openslaan ... dat ik opensloeg. ... dat jij opensloeg. ... dat hij, zij, het opensloeg. ▸ Midden in de nacht schrok ik wakker doordat de deur met een klap opensloeg.[1] (bron: WikiWoordenboek)
Voeg een definitie toe.