deed

De volgende definities zijn er voor het woord deed

  • enkelvoud verleden tijd van doen Ik deed.  Jij deed.  Hij, zij, het deed.  ▸ Ze trokken langzaam hun kleren uit, ze deed niet eens alsof ze weerstand bood, maar toen ze alleen nog haar hemd en onderbroek aanhad, verontschuldigde ze zich en ging naar de badkamer om iets te doen, plassen of een pessarium indoen of wat het ook kon zijn.[1] (bron: WikiWoordenboek)

Voeg een definitie toe.