De volgende definities zijn er voor het woord bezwoer
- enkelvoud verleden tijd van bezweren Ik bezwoer. Jij bezwoer. Hij, zij, het bezwoer. ▸ Hij bezwoer dat hij alleen maar verliefd was geraakt en dat dat helemaal losstond van de lengte van zijn verlof, maar dat er nieuwe verlofdagen kwamen, dat hij elke dag naar haar zou verlangen en zo verder. Toen hij eindelijk wegkwam, was hij even opgelucht als altijd.[1] (bron: WikiWoordenboek)
Voeg een definitie toe.