De volgende definities zijn er voor het woord ambieerde
- enkelvoud verleden tijd van ambiëren Ik ambieerde. Jij ambieerde. Hij, zij, het ambieerde. ▸ Het louter verzamelen van knipsels over zaken die sinds 1993 in de publiciteit waren gekomen en dat achter aan het oude boek plakken, ambieerde ik niet.[1] ▸ Hij ambieerde duidelijk een wetenschappelijke carrière, profileerde zich in het land en daarbuiten.[1] (bron: WikiWoordenboek)
Voeg een definitie toe.